Archive for the ‘Oceanië’ Category

Een half jaar op reis

juni 1, 2008

We zijn inmiddels meer dan een half jaar op pad. Tijd voor een korte terugblik. Dachten we vooraf dat we zeeën van tijd zouden hebben, we weten inmiddels wel beter. De tijd vliegt. Inderdaad, time flies when you’re having fun. Het aantal keren dat we ergens een paar dagen zijn gebleven om gewoon wat te relaxen is dan ook op de vingers van een hand te tellen. Geen tijd, we willen de wereld zien. En daarvoor heb je dus véééééél meer tijd nodig dan de acht maanden die wij weg zijn.

Wat het reizen zo leuk maakt, zijn niet de bezienswaardigheden die we bezoeken. Dat zijn eigenlijk meer de piquetpaaltjes die onze richting bepalen. Het zijn de mensen die we ontmoeten en de onverwachte gebeurtenissen die het reizen leuk maken. De Vietnamese trouwerij, de oude Forbes, het bezoekje aan Gerard en Janna, de gespekken met andere reizigers. Dat soort dingen. De gesprekjes met de locals in Azië draaien altijd uit op geld. Men begint een praatje en een paar minuten later komt er een zakelijk aanbod op tafel. Logisch, als je niet veel hebt zit je niet te wachten op ‘Westerse small talk’. De schoorsteen moet natuurlijk wel roken. Als er al wat is gekocht kunnen de koetjes en kalfjes zonder argwaan worden uitgewisseld.

Nog een opvallend detail, wat we eigenlijk al wisten, maar nog maar eens bevestigd krijgen. Nederlanders vindt je echt overal. Het gehucht kan nog zo klein zijn, er is altijd een Nederlander. Is het geen toerist, dan is het wel een Nederlander die er een restaurtant heeft. En inmiddels weten we ook hoe je Duitsers kan herkennen: die dragen allemaal een bril. Nederlanders zijn te herkennen aan de grote schoenen. Handig die Vietnamese wijsheid. 

Nederlandse wijsheid: laat nooit een badkamer maken door een Aziaat. Veelal treffen we bij de schitterendste kamers de meest armoedige badkamer aan. Alsof men bij het gereedkomen van een nieuw guesthouse ineens bedenkt dat er nog iets is vergeten. “Och verrek, we zijn de badkamer vergeten”. Lekkende kranen, loszittende kranen, toiletpotten op een verhoging, plassen water op de toiletvloer. Eigenlijk hebben we nog nooit een badkamer gezien die voldoet aan de westerse norm. Zo zaten we gisteren nog in een schitterend huisje, met een van de beste badkamers die we tot nu toe gezien hebben. Maar ook hier bleef de toilet doorlopen, konden we het water alleen of heel warm of koud krijgen (warm water is met dit weer natuurlijk een overbodige luxe…) en stonden de plassen na het douchen urenlang op de vloer. Lang leve de teenslippers.

Teenslippers. Nog zo’n fenomeen. Kochten we in Nederland nog sandalen met een dichte neus, zodat onze tenen beschermd blijven (aanschouw een willekeurige stoep in Azië en onze voorzorgsmaatregel wordt begrijpelijk), inmiddels lopen ook wij het liefst te slefffen op het lokale schoeisel (Azië en Oceanië). En gaat er eentje stuk, dan koop je voor een habbekrats een paar nieuwe. De grootste maat die er is uiteraard.

Het reizen lijkt ons tegenwoordig ook lang zo avontuurlijk niet als vroeger (afhankelijk waar je reist uiteraard). Bijna iedere westerse reiziger heeft een laptop bij zich (ook wij zijn schuldig), dus contact met het thuisfront kan op ieder moment van de dag worden gemaakt. Bijna dagelijks loggen we in of er nog iemand heeft gereageerd op onze website en te kijken of we nieuwe email hebben ontvangen. En reken maar dat we balen als dat niet het geval is. En we balen ook als de internetverbinding weer eens zo traaaaag is, dat we niet eens op onze eigen site kunnen, zoals we vaak hebben ervaren in Vietnam (eigenlijk hadden we dit artikel willen posten toen we precies een half jaar weg waren, maar de internetverbinding was te traag, ook in Indonesië is de snelheid niet altijd even goed).. Toch wel even anders dan, pak ‘m beet, 10 jaar geleden. Dan was het brieven schrijven en maar hopen dat er een briefje terug kwam bij de post restante op het postkantoor in een of andere uithoek. We vonden het dan ook maar wat leuk om in Auckland verwachtingsvol naar het postkantoor te gaan en daar ons post restante carnavals- en snackpakket aan te treffen.

Geld of cheques wisselen is tegenwoordig ook niet meer nodig, want in ieder gehucht is wel een geldautomaat. Soms kunnen we daar niet meer dan 35 euro aan lokale valuta opnemen. Maar de tijden dat je met een stapel girocheques naar het postkantoor 150 kilometer verderop moest om cheques te wisselen voor locale valuta zijn toch echt definitief voorbij (en niet alleen omdat girocheques niet meer bestaan). Althans, dat is de situatie in Azië, Ocenië, Noord-Amerika en Europa. Over Afrika en Zuid-Amerika kunnen we nog geen uitspraak doen.

Ook zijn we zelden de enige toerist (behalve tijdens onze rit met de easy riders). Backpackende reizigers tref je, net als Nederlanders, overal aan. Veelal net van school of afgestudeerd. Soms net als wij, middelbare leeftijd en hun banen opgezegd en heel soms 55+, genietend van de vut of pensioen. Maar alleen ben je nooit.

Komende twee maanden zullen we naast Indonesië en Maleisië nog Peru en Bolivia bezoeken. Eens kijken of ze daar geldautomaten hebben, of dat we toch 150 kilometer moeten reizen naar het postkantoor. We zijn inmiddels al een dag op Java en hebben de afgelopen 2 dagen geen toerist meer gezien, dus het begint er op te lijken.

Advertenties

Onze laatste bestemming in Australië

mei 23, 2008

We zijn inmiddels aanbeland in Darwin, onze laatste bestemming in Australië. Maar voordat we het vliegtuig naar Indonesie nemen, gaan we eerst nog een aantal dagen op pad. Wederom met een ‘Outback Wicked’. En de print is deze keer ‘echt Wicked’. We hebben er maar geen officiele fotoreportage van gemaakt want wat moet de familie wel niet denken 😉 Sex, sex, sex!

Allereerst bezoeken we Litchfield National Park. Een leuk ‘parkje’. Nouja, ‘parkje’ voor Australische begrippen dan… want het is nog altijd zo’n 50 bij 40 kilometer. We zwemmen er bij de Florence Falls, wandelen wat en bekijken de gigantische termietenheuvels die wel 5 meter hoog kunnen worden.

Helaas kunnen we van de ‘off road paden’ geen gebruik maken. Het natte seizoen is net achter de rug en vele tracks zijn nog niet begaanbaar. Het track waar we wel op mogen, blijkt geblokeerd door een diepe doorwading. 70 cm water is voor onze 4wd echter te veel van het goede want de onderste deurstijl begint bij zo’n 50 cm en een ‘snorkel’ heeft de auto niet. Dus laten we het track voor wat het is (–> bij de doorwaadplaats staat een waarschuwingsbord voor krokodillen en Mim weigert de duwen…)

Miriam heeft trouwens nog de schrik van de dag als ze naar toilet gaat. Ze komt het hoekje om en WHAAAAM daar ligt een enorme slang. Het beest schrikt gelukkig ook en ‘slingert zich uit de voeten’. Als Jeroen komt kijken ligt ie achter het toiletgebouw. Maar dan… slingert ie zich weer terug de toiletgebouwen in. Maar even bij de invalide toilet plassen (met de benen omhoog) dus…

Onze volgende bestemming is Kakadu National Park. Onderweg komen we verschillende ‘roadtrains’ tegen. Een roadtrain is een vrachtwagens met drie en soms wel vier aanhangers. Jeee, wat een bruut verkeer!

In de buurt van Kakadu wordt de lucht dreigend donker. Men blijkt hier de strategie van “reduced fuel burning” toe te passen. Net na het natte seizon wordende inmiddels droge stukken grasland in de fik gestoken. Het vuur wordt lang zo warm niet als aan het einde van het droge seizoen. En op deze manier wordt brandstof voor grote bosbranden al in een vroeg stadium opverbruikt. Mei blijkt de ideale tijd voor deze voorzorgsmaatregel.

Via 37 kilometer dirt road (hoera, hoera) bereiken we de camping bij Gunlom. Een mooie plek. Na de vertrouwde pasta en muggenjacht (horen normaal niet bij elkaar) zoeken we moe en voldaan ons bedje op.

De volgende ochtend verkennen we de waterval en pool. Ook hier weer bordjes die waarschuwen voor krokodillen, maar we zien er (helaas?) niet eentje. Het is best spannend om in het water te turen. In de Australian Zoo kwamen de krokodillen zo uit het water gesprongen… We durven dus bijna niet over de waterrand te hangen. Stel je voor…

Dan maar de klim naar boven want daar moet een mooi uitzichtpunt zijn. Boven aan de waterval blijkt er echter ook een g-e-w-e-l-d-i-g natuurlijk zwembad. En aangezien krok’s niet bekend staan om hun klimvermogen, durven we, 80 meter boven het eerste waarschuwingsbord, best een duik te nemen. Wat een superlocatie is dit! Een prive zwembad met uitkijk over de vallei. En we zijn er precies op tijd, want als we uit het water komen, komt de eerste buslading toeristen er net aan.

Maar stiekem willen we zo onderhand wel eens zo’n mega krokodil zien waar overal voor gewaarschuwd wordt…

We boeken daarom een ‘cruise’ op ‘yellowwater’. En ja hoor, naast heel veel vogeltjes zien we ook KROKODILLEN. Heerlijk zitten we te griezelen op de veilige boot. Wat zijn ze groot, wat zijn ze lelijk, wat zijn ze ENG. Wel jammer trouwens dat het er maar zo weinig zijn, vindt Jeroen. Toen we, in Florida, op Alligator-jacht gingen, zagen we er tientallen. Hier spotten we er ‘maar’ zes (hoezo verwende wereldreizigers?)

We sluiten ons bezoek aan Kakadu af met de ‘art-track’. Aborigional bewoners hebben 1000-en jaren terug de rotsen van hun ‘shelter’ versierd met tekeningen. De oudste is al 5000 jaar oud! Toch wel bijzonder om die nu anno 2008 te bekijken. De tekeningen blijken niet allemaal van ‘heilige voorvaderen’ (zoals de tekening hieronder). Ook de westerlingen komen in de tekeningen voor. Deze werden afgebeeld met de handen in hun zakken. Is dat een typisch westerse houding?

Als we Kakadu park uitrijden steekt er nog even een lome Goanna over. Brrrr bijna net zo eng als een krokodil! Eens kijken of we zijn grote broer (de Komodo varaan) in Indonesie ook ‘live’ kunnen spotten 🙂

Op pad met de Ramones

mei 17, 2008

Afgelopen week ontvingen we de eerste klacht over onze website. Een van onze vaste lezers merkte op dat de frequentie van de postings terugloopt. Onze welgemeende excuses hiervoor. We hebben de Australische overheid per direct gevraagd om de internetdekking in de Gibson woestijn met onmiddelijke ingang uit te breiden. Hierbij alsnog onze belevenissen van afgelopen week.

Wicked had het dit keer goed begrepen. Of het BZN-busje was al uitgeleend, dat kan ook. Maar deze keer kregen we dus een hippe Wicked mee; the Ramones. Yippie, eindelijk reizen als rocksterren! Al hebben we er, om eerlijk te zijn, geen idee van wat de Ramones voor genre hebben. Maar we denken in ieder geval dat ‘Ramona’ niet tot het repertoire behoort. De afbeelding lijkt namelijk helemaal niet op de twee Indonesiërs :-)) (die waren toch blauw i.p.v. groen?).

Niet alleen de graffiti is hip, ook het busje mag er wezen. We hebben een ‘Outback-Wicked’, wat zoveel wil zeggen dat er 4WD op de auto aanwezig is en dat de auto wat mee bodemvrijheid heeft. Daarnaast zijn ook de campingspullen aangepast aan de outback (met de outback wordt het gebied buiten de stedelijke zones bedoeld). De gietijzeren koekenpan en tinnen steelpan lijken zo uit een western weggeplukt. We kunnen er mee op een kampvuur koken… Vandaar dat men ons weer op pad heeft gestuurd met een lege gasfles natuurlijk. Dit keer komen we er gelukkig voor vertrek uit Alice Springs achter, dus inderdaad ‘No Worries!’

Alice Springs ligt in het hart van Australië. Dit is het Australië wat ons vooraf voor ogen stond: rode stofgrond, woestijn met lage struiken, dorre boompjes en een zinderende zon. Hoewel de temperatuur nu eigenlijk wel goed te hebben is met 25 graden. Twee weken geleden was het hier nog 47 graden! Kortom, we wanen ons op de set van de flying docters. Al hebben we zuster Kate en dokter Geoff nog niet gezien. Wel leek de chauffeur van de airport shuttle bus verdacht veel op Vick, de barkeeper (inclusief het jaren 70 kapsel).

Alice Springs is een goede vertrekbasis voor Ayers Rock (de bekende rode rots midden in de woestijn), Kings Canyon en The Olga’s.

Op weg naar Kings Canyon krijgen we 150 kilometer zand- en gravelpad met flinke ribbels voor de kiezen (zogenaamde dirt road). De eerste kilometers rijden we voorzichtig over de oncomfortabele ribbels. Zo nu en dan worden we voorbijgestuifd door de locals. Na enige aarzeling gaan wij dus ook maar met flinke snelheid over de ribbels. Alles trilt en schudt, het lijkt wel alsof zelfs onze vullingen loskomen. Maar dit schijnt zo te horen hier in de outback. Veilig bereiken we ’s avonds Kings Canyon.

Tijdens het bereiden van ons avondeten zien we een dingo. En nog een. En nog een. En… De dingo’s struinen de camping af op zoek naar eten. Wellicht luisterde een van de campinggasten daarom naar liftmuziek tijdens zijn barbeque. Een prima remedie om dingo’s (en Hollandse toeristen) weg te jagen! Het is dat de beesten een vrij schuwe indruk maken, maar het blijft raar om je eten te bereiden tussen de wilde honden. Ook bij het ontbijt komt er een dingo kijken. Dit keer moeten we ‘m met z’n tweeën wegjagen, dit exemplaar blijkt niet zo schuw.

De volgende dag doen we de wandeling om Kings Canyon. Als twee hijgende herten staan we, 5 minuten na het begin van de wandeling, boven op de canyon. Nog maar 3 uur te gaan. Gelukkig is dit het zwaarste gedeelte van de wandeling, want we begonnen ons serieus oud te voelen. Ook hier hebben ze trouwens pancake rocks. Daar hadden we dus niet helemaal voor niet Nieuw Zeeland hoeven te gaan.

Na deze prachtige wandeling stappen we snel de Wicked in om naar onze volgende bestemming te gaan. Onderweg hebben we weer veel vrienden. In de camper zwaaide niemand… Maar Wickeds zwaaien naar elkaar (en knipperen met hun lichten) Yeah! Wicked…

In de middag bereiken we Ayers Rock. Of nee,… we juigen te vroeg. De eerste rode berg die we zien is namelijk niet Ayers Rock, maar mount Connor. Ook mooi. Maar Ayers Rock blijkt nog 100 kilometer verder te liggen. Nog een uurtje extra rijden dus. Bij zonsondergang is deze monoliet (we zoeken thuis wel op wat daar mee wordt bedoeld, maar zo noemt men de rots nou eenmaal) het mooist. Van oranje naar gloeiend oranje naar rood en tenslotte bruin in een half uur tijd.

Na de zonsondergang rijden we in een grote file allemaal weer naar Ayers Rock resort, de enige slaapgelegenheid in de buurt. En wat een geluk weer. Deze twee ‘wildspotters’ zien, voor de eerste keer in Australië, twee echte wilde….konijnen. Door alle opwinding is het  niet gelukt hier een foto van te maken.

We blijven nog anderhalve dag bij Ayers Rock en de Olga’s. We wandelen ons helemaal suf, maar het is de moeite waard. Vanaf een afstand is niet goed duidelijk hoe groot de rotsen zijn. De oppervlakte lijkt ook glad. Maar als we Ayers Rock en de Olga’s van dichtbij bekijken, bewandelen en ervaren, blijkt dat ze enorm hoog boven ons uittorenen.

En de oppervlakte is helemaal niet glad. De Olga’s bestaan uit grote keien, gravel en klei die zijn samengekoekt tot een grote steenmassa. Ayers Rock heeft een echte rotsstructuur, maar de monoliet heeft diepe inhammen, kuilen, ribbels en andere structuur.

Voor de Aboriginals is dit heilige grond en eerlijk gezegd kunnen we ons daar wel wat bij voorstellen. Ook wij rationele westerlingen zijn diep onder de indruk!

Na vijf dagen zit onze tour erop en gaan we ons voorbereiden op de laatste bestemming ‘Down Under’; Darwin. Heel nonchalant stond er op het verkeersbord langs de weg dat Darwin nog maar 1620 kilometer is. Stel je voor dat er in Eindhoven een bord zou staan “Rome 1620 kilometer”. Vandaar dat we morgen maar gaan vliegen. Dan blijft er misschien nog wat tijd over om een nieuw bericht te posten…

P.S. Klachten over onze webblogfrequentie kun je indienen bij martijnvansantvoort@getalife.nl

Vreemde snuiters en snorkels

mei 10, 2008

Er lopen hier in Australië nogal wat vreemde beesten rond die we in Europa niet hebben. Eén daarvan is de platypus. Naast de echidna (een miereneten met de uiterlijke kenmerken van een stekelvarken) is de platypus het enige zoogdier dat eieren legt. Dat is het niet het enige vreemde aan het beestje. Het heeft een eendenbek aan de voorkant en een otterstaart aan de achterkant. Verder ziet het beestje niet al te best, maar weet zich te oriënteren via spanningsveldjes in het water. Nou, zo’n beestje willlen we dan wel eens zien! Probleem is alleen dat ze maar op een paar plekken voorkomen en ze zich lang niet altijd laten zien. Maar wij zijn zeker ze te gaan zien hoor. We weten inmiddels zelf ook wat voor mazzelaars we zijn.

En inderdaad, in Eungella National Park zien we (na een half uurtje wachten) een platypus rondzwemmen. Het beestje laat zich steeds 5 seconden zien, om vervolgens onder water te duiken en 20 seconden later weer ergens boven water te komen. Voor de schitterende schildpadden, die er in grote getale ronddobberen, hebben we geen oog meer.

Twee dagen later maken we zeil- annex snorkeltrip bij de Whitsunday Islands. Verwend als we inmiddels zijn, zijn we niet onder de indruk van het koraal. In Thailand en Maleisië is het veel kleurrijker. Hier is het koraal wit/grijs en een beetje grauw. Zou dit nou het resultaat zijn van de ‘global warming’? De visjes zijn wel prachtig maar het geheel valt dus een beetje tegen.

Wel ontmoeten we op de boot een Duits koppel dat al zeven maanden Down Under reist. De platypus hadden ze, na verschillende pogingen ondernomen te hebben, nog niet gezien…

Wel de cassowary. De cassowary is een emu-achtige vogel, met een grote hoornen bult op zijn hoofd. Op dus naar Daintree National Park, want daar huisvest de cassowary. Ook deze rare snuiter willen we wel eens zien. Omdat het leefgebied van de cassowary, tropisch regenwoud, steeds kleiner is geworden, is het beest bijna uitgestorven. Daarnaast worden er nogal wat van de beesten doodgereden.

Door het regenwoud zijn verschillende boardwalks aangelegd. We slaan er geen over, want we willen de cassowary ook wel eens zien in het wild (in de Australian Zoo hadden we ze namelijk al wel gezien). Helaas, we zien er niet eentje. Ook ons geluk is niet onuitputtelijk. 

Of toch niet? Als we de volgende ochtend het park weer willen verlaten (en dan maar een foto van de plastic cassowary aan het begin van het park willen maken), staan er ineens twee van die enorme vogels midden op de weg. In het echt zien ze er bijna net zo plastic uit als het afgietsel. De felgekleurde nek zou niet misstaan in een jaren-50 koelkast (ook leuk onder een black light). Even later stopt er nog een auto. De twee dames op leeftijd omhelzen elkaar van geluk. Ze hebben al een week gezocht naar een cassowary in het wild. Eindelijk is het ze dan gelukt!

En gisteren kwamen we aan in Cairns, ons eindpunt aan de oostkust van Australië. Voor velen een vertrekpunt om naar de Great Barrier Reef te gaan. We twijfelen of we nog een keer zullen gaan snorkelen, Whitsunday viel immers tegen, maar besluiten het toch te doen. We zijn er immers toch. De glossy folders laten we links liggen bij het boekingskantoor. Het moet goedkoop…

Tja, dan krijg je een boot die eruit ziet alsof die ieder moment naar Bangladesh kan worden verscheept om daar op het strand gesloopt te worden. Maar we komen hier niet voor de boot. We komen voor de Great Barrier Reef. Volgens de BBC nummer 2 van de dingen die je gezien moet hebben voordat je dood gaat (van de top-50, nummer 1 is de Grand Canyon, we zijn de lijst overigens niet aan het afwerken).

Dit keer is het snorkelen adembenemend mooi. Het water is zo helder dat je met gemak 25 meter verder kan kijken. Schitterende vissen, schitterend koraal. Deze trip was boven verwachting. OK, de boot ziet er niet zo flashy uit, maar de bemanning is vriendelijk en servicegericht en het aantal snorkelaars op de snorkelplek valt heel erg mee (bij sommige locaties snorkel je met meer dan 200 man!!, over “tourist trap” gesproken).

Kortom, we hebben weer een leuke week achter de rug. We zijn bijna gereed om naar de outback te gaan. De camper is gewassen (geen spoor meer te bekennen van onze off road activiteiten), de trompet is naar huis gestuurd en morgenvroeg gaan we alles weer in de rugzakken proppen. Zondag vliegen we naar Alice Springs in het hart van Australië. Daar staat weer een Wicked op ons te wachten.

Zullen we dit keer wel een hippe Wicked krijgen, of gaan we weer met de Suf-mobiel op pad?

Fraser Island

mei 2, 2008

Fraser Island, Het grootste zandeiland ter wereld. Unesco wereld erfgoed en het ligt op onze route. Min of meer een verplichte attractie dus. Eigenlijk hebben we er niet zoveel zin in, want we denken dat het erg toeristisch is. En misschien komt het ook wel omdat we denken dat we met een bustocht het eiland zullen verkennen. Andere opties zijn om het eiland in 3 dagen te verkennen met een groepje van 9 personen, of zelf een 4×4 te huren. Het groepsreisje valt op voorhand al af. Dit wordt vooral door backpackende tieners en twintigers gedaan, niet door hippe dertigers. En een eigen four wheel drive huren is te duur, dus dan blijft de busreis over.

Omdat we daar eigenlijk niet heel veel zin in hebben, bestuderen we de prijzen van de opties nog eens een keer. En tot onze verbazing maakt het financieel eigenlijk helemaal niet zoveel uit welke optie we kiezen. Sterker nog, een eigen 4×4 huren is goedkoper dan de bus! Fraser Island wordt ineens een stuk aantrekkelijker.

Om 07.15 uur kunnen we onze 4×4 ophalen. Geen inimini Suzuki of iets dergelijks. Nee, een echte 4×4 voor bikkels. Een Jeep Wrangler. De banden hebben een hele lage spanning, zodat we over het mulle zand kunnen rijden. Eerst moeten we echter over de verharde weg naar het stand, 12 kilometer verderop. Door de lage bandenspanning lijkt de auto weg te waggelen als we een bocht moeten nemen. In het zand is het prima en zelfs comfortabel, want de slappe banden fungeren ook als een paar extra schokbrekers.

Net voor het strand, waar we de pont moeten nemen, staat een bord. Hierop staat (STOER!) dat 2 wheel drives niet verder mogen. Dit is alleen nog maar voor 4×4. Dat beloven twee leuke dagen te worden. Als we bij het strand aankomen liggen er twee pontjes te wachten. Voor iedere pont staat een mannetje te wuiven dat we bij hem aan boord moeten komen. Het lijkt Vietnam wel.

De overtocht duurt 5 minuten en dan kunnen we aan de slag. Voor ons een verlaten strand. Een volle tank benzine, twee inmiddels enthousiast geworden toeristen en een net warm gereden 4×4. Voorzichtig beginnen we aan onze tocht, maar al gauw rijden we met 70 km/u over het strand. Lekker uitwaaien. Naarmate het later wordt, wordt het ook drukker. Maar Fraser is toch niet die “tourist trap” die ons gisteren nog voor ogen stond.

De eigenaar van het verhuurbedrijf heeft een twee-daagse route voor ons uitgestippeld. Heel handig, want ook met de getijden is rekening gehouden. Onze eerste bezienswaardigheid ligt 67 kilometer verderop. Vanaf daar rijden we weer terug naar andere bezienswaardigheden, zoals het in 1935 aan wal gelopen schip Meheno, bekend van de ansichtkaarten.

Tegen enen moeten we van het strand af zijn in verband met vloed. Dan beginnen we zelf ook genoeg te krijgen van het rijden op het strand. We gaan de “binnenlanden” van Fraser in: tropisch regenwoud. Wat is dit ontzettend mooi.

De Jeep gromt er heerlijk op los en wij voelen ons net Indiana Jones. Helemaal als we onderweg een grote slang over de weg zien kruipen. Het beest van 2 meter lang blijkt een (overigens ongevaarlijke) carpet snake te zijn.

Ook de tweede dag is een heerlijke dag. Ongelofelijk dat we hier zo op eigen gelegenheid door het regenwoud en de bossen mogen rijden. In Nederland doen ze over ieder zandpaadje zo moeilijk. Hier rijden we gewoon door beschermd regenwoud. We zwemmen er in een zoetwatermeertje (de zee is te gevaarlijk door de onderstomen en mens-etende haaien). Ook spotten we onze eerste dingo. Een dingo is een wilde hond die in Australië voorkomt. Op Fraser Island komt het zuiverste ras, van deze met uitsterven bedreigde, dingo voor. Het eiland is groot genoeg voor de beesten om te kunnen voortbestaan en er vindt geen kruisbestuiving met andere honden plaats. Overigens worden we overal gewaarschuwd voor de dingo’s, ze kunnen namelijk mensen aanvallen.

In de middag komen we moe en voldaan weer aan bij het verhuurbedrijf. Onze Jeep blijkt wel een slokje te lusten. We waren er al voor gewaarschuwd door de verhuurder: ‘A full tank will give you 340 k’s and that’s just road juice’. Met andere woorden, op de openbare weg kom je 340 kilometer ver, in het terrein bij lange na niet. Uiteindelijk hebben we in het terrein 1 op 4 gereden en we hebben de 4WD nauwelijks aan gehad (dankzij de lage bandenspanning en de grote bodem vrijheid is dat niet nodig). Mmm… milieu vriendelijk tripje?

Fraser Island bleek uiteindelijk, tegen onze eerste verwachtingen in, erg leuk en mooi. Ga er dus vooral niet heen, vertel het ook niet verder. Dan blijft het er heerlijk rustig en kunnen wij over een paar jaar nog een keertje gaan.

Home@Crocodile Hunter.

april 30, 2008

Australian Zoo. Home of the Crocodile Hunter.

Tijdens onze eerste weken in Australie horen van verschillende reizigers dat de Australian Zoo een ‘highlight’ is. Ook in de Lonely Planet staat een dikke aanbeveling… Well, time to check it out!

Vonden wij Steve Irwin met zijn krokodillen op TV altijd nogal overdreven, in Australie is hij een held! Waarom blijkt als we het park opkomen. Voor alle beestjes die hier huizen zijn enorm ruime en schone verblijven gebouwd. En overal is het groen. Je moet goed zoeken naar de bewoners van een verblijf, want de huisvesting is vaak zo groot dat je even moet rondlopen om het beest te vinden. En je kunt zien dat ze het naar hun zin hebben. Geen beesten die verveeld rondjes draaien of tegen het hek stampen.

Bob en Lyn Irwin begonnen deze dierentuin in 1970. Zoon Steve (the Crocodile Hunter) en zijn vrouw namen het management in 1992 over. Hun doel is om door educatie wildlife te ‘behouden’. ‘Conservation through exciting education’. Steve is in 2006 overleden. Hij kreeg de staart van een stingray in zijn hart toen hij aan het filmen was voor zijn volgende ‘Awesome’ documentaire. Zijn familie zet zijn levenswerk voort. Toegangsgelden worden gebruikt om bedreigde diersoorten te behouden. Ook is er een dierenziekenhuis om gewonde dieren uit de streek te helpen.

Steve had vooral een enorme passie voor krokodillen. Vandaar dat er in het park verschillende exemplaren ‘te bewonderen’ (brrr) zijn. Het centrale stadion is omgedoopt tot ‘Crocoseum’ en daar pikken we een showtje mee. We leren vanalles over de olifanten, slangen, vogels en zien een enorme zoutwater krokodil (saltie) voorbij komen. ‘They earned their space, so give them space’ is de leus. De regels: bij salties hun territoriale waters niet in het water gaan, over het water hangen of op de oever komen. Vanaf nu zijn we in ‘croc-country’… Oke, wij weten voor de rest van onze trip genoeg en blijven in de camper zitten 😉

Ook komt de dierentuin, tijdens deze dag, geregeld naar ons toe. Medewerkers lopen rond met slangen, (mini)krokodillen, wombats, kamelen en dingo’s. Ze geven uitleg over de beestjes en je mag ze best even aanraken of op de foto zetten. Ook zijn er overal ‘mini-shows’. Nog meer uitleg over beestjes die op dat moment hun eten krijgen. Wat een gigantische hoeveelheid medewerkers en vrijwilligers loopt hier trouwens rond! En ze hebben allemaal datzelfde ‘crocodile hunter’ enthousiasme. Een beetje aanstekelijk is het wel.

Tot slot voert Miriam dan ook een olifant ‘AWESOME’. En treedt Jeroen in de voetsporen van de Crocodile Hunter ‘CROCS RULE!’. Als we op het eind van de dag het park verlaten, zien we in de giftshop, een pop met de gelijkenis van Steve Irwin. Als je op zijn linkerborstzak drukt zegt hij ‘Crickey! Big day ahead!’. Als je op zijn rechter borstzak drukt zegt hij ‘Crocs rule’.

Eens kijken Crocodile Hunter- Martens dat vanavond ook doet… CRICKEY.

Drie dagen Straddie

april 29, 2008

Afgelopen vrijdag was het ANZAC-day, een nationale feestdag. We hebben daarom een ‘veilig onderkomen’ gezocht want het hele land ligt plat. Men trekt er massaal op uit om te kamperen. ‘When in Rome, do as the Romans do’, dus ook wij gaan kamperen. Dat doen we overigens al een kleine drie maanden 😉 Onze keuze valt op North Stradbroke Island, door de locals ook wel afgekort tot Straddie. Australiërs korten trouwens vanalles af. Blanket is blankie, Brisbane is Brissie, breakfast is brekkie en North Stradbroke Island is dus Straddie.

Het eiland, vlak voor de kust van Brissie, heeft slechts een drietal doorgaande wegen, geen supermarkten en een handvol campings. Het is een eiland waar men naar toe gaat om te vissen, 4×4 rijden of te surfen. In combinatie met de zon, die nu eindelijk overvloedig is gaan schijnen, lijkt het hier Hawaï wel. Het bevalt ons dan ook prima op Straddie. Het initiële plan om hier een dag te blijven, verandert dan ook snel. We blijven er drie.

Op onze camping, langs de zee, staan bordjes die waarschuwen voor haaien, sterke onderstromingen, rotsen etc. Genoeg redenen voor ons om uit het water te blijven. Gelukkig is er ook een ‘veilig’ gedeelte. Daar zijn netten tegen de haaien gespannen en kan dus wel gezwommen worden. Misschien een beetje naïef van ons, maar wij dachten, voordat we naar Australië kwamen, dat voor hele grote stukken van de kustlijn netten tegen de haaien gespannen waren. In werkelijkheid is dat hier en daar een stukje ter grootte van een voetbalveldje. Niet dat die netten ons hebben overtuigd om te gaan zwemmen trouwens.

De eerste avond zien we namelijk een zwart-bruine slang door het ondiepe water kronkelen. Brrr. Haaien zien we trouwens ook langs het strand van de camping. Nouja, hele kleintjes (formaatje tekkel). Het type wat wij zien, bijt volgens de locals niet. Al kijken de twee duikers in het water niet heel relaxed. Wij staan gelukkig hoog en droog op de kant en vinden het allemaal wel spannend!

Bij de camping ligt ook een kleine pier om te vissen. Iedere Australiër lijkt te vissen. Jong, oud, man, vrouw. Iedereen loopt hier met een hengel rond. Dat snappen we wel; vissen is natuurlijk veeeeeel veiliger dan zwemmen 🙂 De boekhandels liggen vol met vis-tijdschriften en overal koop je ‘bait’ (aas). Op de auto’s zijn speciale kokers op de bullbar gemonteerd. Hierin worden de hengels vervoerd.

Als we de eerste avond een kijkje nemen op de pier, vallen we direct met onze neus in de boter. Er zwemt een dolfijn bij de pier. Een paar knaapjes van een jaar of 10 voeren de dolfijn visjes. Ze hebben de visjes ’s middags met een net naar boven gehaald en gooien ze nu (dood) naar beneden. Direct onder ons smikkelt Flipper er lekker van… Hij komt steeds dichter bij. Je kunt hem zowat aanraken!

Later horen we van de ranger dat het visjes voeren eigenlijk niet mag. De dolfijn is een zeldzame Asian Pacific dolphin. Die is mede zo zeldzaam geworden omdat ze niet mee weet hoe ze haar eigen voedsel bij elkaar moet jagen. Oh!

Het is niet de enige dolfijn die we zien. Mazzelaars als we zijn, zien we er ook eentje meesurfen in een grote golf. Bij ‘Point lookuit’, een uitkijkpunt boven de knalblauwe zee, zijn we de eerste dag wel erg ‘lucky’. Zeker 150 a 200 meter lang zwemt een dolfijn met een grote golf mee. Hij geeft een fantastisch staaltje ‘golfsurfen’ weg 😉 Een schitterend gezicht. We blijven nog zeker een uur staan turen in de zee of we nog zo’n showtje kunnen meepikken. Maar buiten een schildpad en een aantal manta roggen (ok mooi!) zien we niets.

De schildpadden die hier huizen zijn grote zeeschildpadden. Een stukje verder vanaf het (ontzettend gave) wandelpad hebben we er goed zicht op. Hier is een grote zee-inham en je kijkt vanuit een houten vlonder recht het kraakheldere water in. Af en toe komt er een schilpad voorbij. Kleintjes maar ook hele grote! Ook zij lijken te surfen op de golven. Ze surfen zo achter hun ochtend- middag en avondmaaltijd aan.

Iedere dag keren we terug naar Point Lookout en het wandelpad naar de schilpadden. Het zijn echt ‘filmlocaties’ hier… Als we het eiland uiteindelijk verlaten, concluderen we eensgezind ‘Straddie is een paradijsje!’.

Oh, we hebben trouwens ook het duiveltje ontmoet. Deze knaap (een guana) liep op het parkeerterrein bij een meertje. Je kunt beter niet gebeten worden door zo’n joekel want de infecties, van zijn beet, kunnen dodelijk zijn. Een guana is echter ook bang voor ‘de mens’. Hij zal daarom zelf waarschijnlijk het hazenpad kiezen. Veiligheid betekent voor hem ‘de hoogte in’. Hij klimt het liefst in een boom.

Mocht je een guana op een open vlakte tegenkomen en hij komt naar je toe… Dan kun je beter op de grond gaan liggen. Da’s veiliger dan ‘boom spelen’ hebben we geleerd. Deze guana waggelde echter op zijn gemakje naar een bosje verderop. Daar bleef hij brutaal op de grond naar ons zitten kijken. Tja, toen hebben wij het hazenpad maar gekozen. Brrrrrrrrrrrrrrrrrrr

De familie Sanders in Australië (deel II)

april 22, 2008


Als Gerard en Janna aangeven dat we best nog wat langer mogen blijven, is de beslissing snel gemaakt. We blijven graag nog een dag. Het is hier ontzettend leuk en gezellig. Op zondag gaan alle registers open en krijgen we de full notch VIP behandeling.

Allereerst worden we meegenomen naar het park in Lismore dat wordt onderhouden door de Lions Club. In dit stukje subtropisch bos ziet het letterlijk zwart van de “flying foxes”, grote vleermuizen. Niet van die kleintjes, nee, dit zijn zogenaamde mega-bads (een centimeter of 50 lang).

Hele trossen van de beesten hangen er aan de bomen. Ze hangen er net bij alsof ze een zwarte cape om zich hebben heengeslagen. En hoewel ze er eigenlijk best akelijk uitzien, weten we wel beter. Tijdens een nachelijke wildlife rondleiding op de camping in Sydney hebben we geleerd dat het hele lieve en intelligente beesten zijn.

Ze stammen, net als de mens, af van de aap. En ondanks dat er hier vele duizenden flying foxes in het bos zitten, worden ze met uitsterven bedreigd. Ze hebben echter een heel belangrijke functie. Ze bevruchten de eucalyptes bossen op een vergelijkbare manier als bijen de bloemetjes bevruchten. Er is geen vogeltje of insect wat deze taak van de ‘vliegende vosjes’ kan overnemen! We willen dus graag wat aan positieve marketing voor de beestjes doen!

Het programma gaat verder bij de carboot sale, een grote (rommel)markt. Hier worden de goederen uit de achterbak (boot) van de auto verkocht (natuurlijk heeft iedereen tegenwoordig gewoon een kraampje). Van antiek tot organic chutney, van kleding tot verse eieren, eettentjes, muziekjes, het is hier allemaal te vinden.

De markt vindt plaats in de parkeergarage van het winkelcentrum, dus mocht het vandaag weer regenen dan is dat niet erg. Een goede locatie blijkt later, want ook nu komt het zo af en toe met bakken uit de lucht.

Natuurlijk kan Jeroen de verleiding, om wat te kopen, niet weerstaan. Hij valt als een blok voor een zogenaamde “pocket trumpet”, een kleine mini trompet. De nationale parken zijn, komende weken, het bezoeken niet meer waard. Alle beestjes zullen massaal op de vlucht slaan bij het horen van de noeste pogingen om ‘Zak eens lekker door’ en ‘Heideroosje’ tot een goed en zuiver einde te brengen op het koperen instrumentje…

Na de rommelmarkt gaat onze trip verder. We rijden via een ‘scienic drive’ naar Byron Bay. Wederom weet Gerard een plek waar 1000-en vleermuizen hangen. Vanaf de weg hebben we een perfect uitzicht op de bomen die volhangen. Ongelooflijk wat een gaaf gezicht! Dit is wel even wat anders dan de vleermuisgrot in de dierentuin…

Byron Bay is een toeristische plaatsje wat bekend is vanwege de goede surf -en duikmogelijken. En vanwege het feit dat dit het meest oostelijke punt van Australië. We eten er een ijsje, schuilen er voor nog meer regen en laten ons fotograferen door Gerard op het meest oostelijke puntje.

Pas als het donker is komen we weer ‘thuis’, we zijn heel de dag onder de pannen geweest. Gerard stookt het haardvuur op en Janna kookt een, wederom niet te versmaden, potje.En gisteren zijn we dan, na drie nachten in het heerlijke bed met uitzicht op de kangaroes, vertrokken naar Brizzy (Brisbane). We krijgen nog twee grote zakken macademianoten in de handen gedrukt. Die hebben we eerder met z’n vieren gepeld en gesorteerd waarna ze door Janna zijn geroosterd in de oven.

Ook heeft ze voor ons een lunchpakketje gemaakt. ‘Dan hoeven jullie niet meteen naar de supermarkt te rijden’. Wat een schat!

Als we weggaan schrijven we nog snel een boodschap in het gastenboek. ‘Lieve Janna en Gerard, mochten jullie ooit door Eindhoven komen, wij hebben misschien geen Creek maar wel een vijver (koeiendrinkbak). En verder, altijd zichtbaar, een enorme slang… onze enige echte tuinslang! –> Dus komt dat zien, komt dat zien!’

Familie Sanders in Australie…

april 19, 2008

 

We zijn op bezoek bij Gerard en Janna. Deze twee geëmigreerde Nederlanders ontmoette we in het Nationale park ‘de Grampians’. Daar hoopten we, toen we net aan de trip in Australie begonnen, onze eerste kangaroes te spotten. We zagen er die eerste dag helaas niet eentje. Wel zagen we een Gazelle… de damesfiets van Janna!

 

We hadden een gezellige avond aan het kampvuur met deze ‘Groningers’. En de volgende morgen ontvingen we, naast een zak macademianoten uit hun eigen tuin, een uitnodiging om Gerard en Janna later thuis te bezoeken. Natuurlijk zijn we hartstikke benieuwd hoe het dit sympathieke stel, in de 25 jaar dat ze in Australie wonen, is vergaan. We bewaren het adres en telefoonnummer van de familie Sanders dan ook zorgvuldig. 

 

‘Georgica, de town waar wij wonen, ligt vlakbij bij Brisbane’ legt Gerard bij het afscheid in de Grampions uit. Vlakbij Brisbane betekent in Australie 300 km, dus ongeveer het kippe-eindje Limburg – Groningen (ha, ha)! We zijn ondertussen ontzettend nieuwsgierig naar het ‘land’ van Gerard en Janna. Ze hebben ons er al veel over verteld die eerste avond bij het kampvuur. Toen ze verhuisden van Noordbroek (Groningen) naar Georgica, kwamen ze bijvoorbeeld niet verder dan het hek op hun land. De rest was bush-bush & tropische regenwoud (20 hectare). Een groot gedeelte van het land is nog steeds tropisch regenwoud. Maar Gerard en Janna hebben ondertussen ook een hele tropische moestuin begrijpen we. 1000 macademia bomen (hobby noemen ze dat), papaja’s, advocado’s, citrusbomen… een ‘mop’ (groep/familie) wilde kangaroes en een koala… Ondertussen branden we van nieuwsgierigheid!

 

En hoewel er in de tussentijd veel veranderd is, komen wij (25 jaar later) ook niet verder dan het hek. We slippen namelijk weg op het natte gras van de oprit. De 450 meter van het hek naar het huis leggen we dus te voet af. Spannend… wat voor huis zien we zodadelijk als we om de hoek gaan?

 

Nou, Gerard en Janna wonen in een prachtig huis! De klompen staan voor de deur 😉 We lopen onder de veranda door en zien Janna nog net een paar macademianoten ‘legen’. ‘Oooooh daar zijn jullie al, kom binnen!’ Na een hartelijk welkom blijkt ook dat de Australische mentaliteit al helemaal is overgenomen door Gerard. ‘No worries, ik trek jullie er zo wel uit met de trekker’. NB heel de familie Martens laat zich graag door trekkers uit de blubber trekken, vraag broer Paul maar die de landrover van Jeroen in Nederland ‘rijdend’ probeerde te houden.

 

Omdat de trekker en de gewone 4×4 een lege accu hebben, trekt Gerard ons los met de bestelbus. Blijkt ook een 4×4 te zijn. En die hebben we nodig ook. Als we los komen slipt de hele camper naar links, ondanks fors tegensturen naar rechts. We glijden bijna tegen de zijwand van het pad (hadden we al verteld dat we de verharde weg niet mogen verlaten met onze camper?). Het inkorten van de sleepkabel brengt uitkomst en omdat we geen risico willen nemen sleept Gerard ons helemaal tot aan het huis. Het mooie gazonnetje van de familie Sanders is in no-time veranderd in een modderspoor. Welkom hoor familie Martens…

 

 

Maar eerlijk is eerlijk, we hebben in dit half uurtje meer lol dan de afgelopen drie dagen. We bezochten toen namelijk de Blue Mountains NP (World Heritage) in de mist. Bekend om zijn prachtige uitzichten zagen wij alleen grote witte mistgordijnen. En omdat we ondertussen gruwelijk veel regen hebben gehad, waar we beiden nogal ‘grumpy’ door werden, besloten we gewoon in een keer door te rijden. In Georgica schijnt vast de zon… Maar helaas, de regen komt dus ook hier met bakken uit de lucht (jaren niet zoveel gevallen begrijpen we).

 

Na Georgica moeten we dus nog even verder rijden voor de zon. Maar het huis van Janna en Gerard is ook heerlijk warm (een firewood in de huiskamer brand de hele dag) en we voelen ons hier ontzettend welkom. Ineens heeft de regen niet meer zo’n invloed op ons humeur. En vanuit de huiskamer huppelen de kangaroes inderdaad aan alle kanten om het huis. GEWELDIG!! Daar zitten we dan, met een kopje koffie/thee en heerlijke zelfgebakken koek te genieten van ‘wildlife’ en uitzicht. Het land van Gerard en Janna strekt echt enorm uit. Ze hebben zelfs een eigen valei en daar kijk je over uit in de huiskamer…

 

 

Gerard heeft het huis zelf gebouwd. Overal zijn grote ramen en kijk je in de prachtige tuin vol… kangaroes! Het lijkt wel of ze ook nieuwsgierig zijn naar het bezoek want ze lijken door alle ramen naar binnen te koekeloeren. Zelfs als we op het toilet zitten zien we, door het (voor Nederlandse begrippen) enorme raam, een Skippy op het gras rondhoppen. Janna verteld dat ze, toen ze het huis bouwden, nog erg in een Nederlandse ‘mindset’ verkeerde. In het toilet hadden ze een klein matglas raam bedacht. Maar later realiseerden ze zich, bij kennissen op toilet, dat zo’n groot raam natuurlijk veel fijner is. Met de eerste buren kilometers verderop is er namelijk echt helemaal niemand die naar binnen kan kijken!

 

 

’s Avonds is er heerlijke Hollandse kost met een Australisch tintje. Zuurkoolschotel uit de oven en zoete aardappelstamp. We zitten te smullen en gaan met veel te dikke buiken naar bed. We laten de gordijnen open en zien nog net een paar huppelende vrienden voorbij komen. En ’s ochtends het eerste wat we zien… Kangeroes. Moeders met kleintjes in de buidel komen een kijkje nemen. Dit is zo ontzettend gaaf! 

 

 

 

Na het ontbijt lopen we, het is gelukkig even droog, naar de bananenbomen. Normaal vinden we het niet zo spannend om iemands achtertuin te bekijken. Maar bij Gerard en Janna vinden we het wel ontzetend spannend. Hun achtertuin is namelijk het subtropisch regenwoud, compleet met bloedzuigers en slangen! De bloedzuigers hebben we in levende (bloedende) lijve ervaren. Jakkes wat een engerds! Hebben ze je eenmaal te pakken, dan is het een lastig truucje om ze ‘los’ te krijgen. Maargoed, ze zijn verder onschadelijk begrijpen we. Gerard neemt ons mee naar de rivier in de valei. Hij wijst de weg en kapt een baan door het woud! Overal krijgen we uitleg. Jee, dit is een prive nationaal park! De carpet snake hebben we trouwens niet gezien. Met knikkende knieen gaan we ’s middags de moestuin in. Daar is het beest het laatst gesignaleerd. ‘Wel uitkijken dat je er niet op gaat staan’… Brrrrrrrrrrr.

 

 

 

 

 

Maar ook de Nederlandse afkomst wordt niet verloochend. Naast klompen, Delftsblauw, speculaas en boerenkool in de moestuin nemen Gerard en Janna ons mee naar Nimbin. ‘Dat moet je zien, het is zo alternatief!’. We hebben er al een stukje over gelezen in de Lonely Planet… En inderdaad, Nimbin is een alternatief, kleurrijk hippie dorpje. Een dorpje vol ‘vage figuren’. Spacekoekjes verkopers op iedere straathoek en overal coffeeshops. We bezoeken het hippie museum. Dit blijkt een creatieve coffee shop waar je als ‘cleane toerist’ entree moet betalen. Ha, ha slim, hebben ze weer wat om de spacecake, weed, en spacecookies te bekostigen… We lachen hartelijk, al die coffeeshops…het lijkt het Stratums Eind wel.

 

 

 

’s Avonds voor ons geen ‘pot’. We houden het bij speculaas en weer zo’n heerlijke Hollandse maaltijd. Janna pakt flink uit: spruiten, bloemkool, aardappels, draadjesvlees, appelmoes en als Australische ‘touch’ een zoete maiskolf. En al komt de regen ook nu met bakken uit de lucht,… we blijven nog een nachtje! Het is veel te gezellig hier.

 

 

 

Sydney

april 15, 2008

Na de beestenboel is het weer tijd voor een grote stad. Sydney in dit geval, met 4.5 miljoen inwoners, dus echt gigantisch GROOT. We verblijven vier dagen op een camping in Lane Cove National Park. Een schitterend park midden in Sydney. Van hier uit is het overigens nog wel een dik half uur om in het Central Business District (het centrum) te komen.

Eindeijk zien we dan het Operahouse. Voor ons toch het symbool voor ‘de andere kant van de wereld’. Bekend van foto’s, magazines en TV bewonderen we hem nu zelf. En ja, ook in het echt een schittend gebouw. Vanaf het water valt het gebouw overigens al gauw in het niet bij de skyline van Sydney: wolkenkrabbers en natuurlijk de Harbour Bridge, bijna net zo’n icoon als het Operahouse. Maar vreemd genoeg is niet het Operahouse het hoogtepunt van Sydney.

.

Ook de friet en fricadel speciaal en bitterballen, waar een van onze (zelf reislustige) lezers op attendeerde is niet het hoogtepunt van Sydney. Ook hierop hadden we ons al een poosje verheugd, maar het wordt tijd dat de Nederlandse uitbater weer een keertje in Nederland een patatje gaat prikken. En zeker een fricadel en bitterballen, want de versies die hij voorschotelt ‘zijn te eten’, maar lijken niet op de ‘real thing’.

Komen we nog een keer in Sydney, dan bestellen we (onafhankelijk van elkaar) een ‘frietje Okkiwokkie’ bij hem. Gewoon om ‘m op het verkeerde been te zetten. We zeggen er uiteraard niet bij wat het is. Moet ie helemaal naar Nederland om te achterhalen wat dat populaire frietje ‘Okkiwokkie’ toch is (euh… iemand het weet?). Kan meneer de uitbater meteen even proeven hoe friet speciaal ook alweer smaakt (dus met echte mayonaise en echte curry). En ziet ie ook weer eens ‘live’ (ronde) bitterballen.

Nee, wat wij het leukst aan Sydney vonden, heeft helemaal niets met Sydney te maken. Dat hadden we in iedere bioscoop kunnen ervaren… Hoewel, we hebben de film wel op het grootste doek ter wereld gezien. En wel in 3D. We zijn namelijk naar de nieuwe 3D film van U2 geweest. Een echte aanrader voor muziekliefhebbers. Ruim een uur voor aanvang van de film staan we al in de rij bij de bioscoop. Niet omdat dat moet, maar vanwege een communicatiefoutje tussen ons beiden. Maargoed op deze manier lijkt het wel alsof we naar een echt popconcert gaan.

Naast een mooie concertregistratie, heeft het drie dimensionele echt toegevoegde waarde. Vanaf het allereerste moment zitten we met de rillingen op onze rug. We zitten MIDDEN in het concert! Dan weer lijkt het alsof we op het podium staan en dan weer lijken we te swingen tussen het publiek. Zelfs die iritante lange slungel voor je ontbreekt niet, maar dit keer gewoon geprojecteerd op het witte doek. Met een bioscoopscherm van 8 verdiepingen hoog toch anders dan de gemiddelde bioscoop. Missschien dus toch maar goed dat we dit in Sydney ervaren. Dus allen: Gaat dat zien, gaat dat zien. Dan gaan wij ondertussen weer een paar dagen beestjes kijken.